Doelstelling
OPTIMUS Primair Onderwijs wil zoveel mogelijk kwaliteiten van leerlingen aanspreken en deze samen met hen tot ontwikkeling brengen. Daarbij staat voorop dat iedere leerling zijn of haar kennis en vaardigheden en volle ontwikkelt, naar eigen vermogen. Vanuit deze doelstelling draagt de plusklas van OPTIMUS Primair Onderwijs bij aan passend onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen. Het geeft tevens de mogelijkheid om kinderen uit hun 'peergroup' (ontwikkelingsgelijken) te ontmoeten en met deze kinderen samen te werken. Dit biedt een duidelijk meerwaarde in hun ontwikkeling. Om te dit te bereiken wordt een totaalconcept gebruikt voor passend onderwijs aan begaafde kinderen.
Waarom dit concept?
Waarom is voor de hoogbegaafde leerlingen een speciaal concept nodig naast het tegenwoordig veel op scholen gebruikte concept van drie leerwegen (zon, maan, ster, bijvoorbeeld)?
· Leren denken: Het aanbod op een basisschool is voor het grootste deel gebaseerd op de “lagere” denkvaardigheden: reproduceren / begrijpen / toepassen en (te) weinig op de hogere denkvaardigheden (2001: Anderson e.a. Herziene taxonomy van Bloom): Analyseren / Evalueren / Creëren
· Leren leren: Het aanbod van de methoden die op basisschool gebruikt worden is voor het grootste deel gebaseerd op de gemiddelde leerling met soms een (te) kleine aanpassing voor de zwakkere en de sterkere leerling. Dit betekent dat de hoogbegaafde leerling nauwelijks iets leert op school. Hij ervaart daardoor ook niet wat leren is en hoe leren gaat. Het leren is vaak lineair, waardoor het doel waar uiteindelijk naar toegewerkt gaat worden vaak onzichtbaar blijft.
· Leren leven: In het algemeen zit er in een basisschool groep hooguit één hoogbegaafde leerling (2,5% van de kinderen heeft een IQ van 130 of meer. De kinderen met een IQ van 70 of minder, ook 2,5%, zitten op het speciaal onderwijs). Dit betekent dat een hoogbegaafd kind in zijn klas geen peers of ontwikkelingsgelijken heeft die het nodig heeft om een reëel en positief zelfbeeld op te kunnen opbouwen.
En wat onderscheidt dit concept nu van andere, zoals bijvoorbeeld het concept van de plusklas van het Centrum voor Begaafdheids Onderzoek in Nijmegen (Het Vooruitwerklab) dat volledig op de theorie van de 3 intelligenties van Sternberg is gebaseerd?
© Jan van Nuland 2011 Overnemen of gebruiken alleen met bronvermelding / jan.vannuland@gmail.com
De 10 belangrijkste uitgangspunten
De belangrijkste uitgangspunten van dit concept zijn:
Passend onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen moet zijn:
1. Gericht op een doorgaande lijn van 4 tot 12 jaar
2. Handelingsgericht
3. Oplossingsgericht
4. Gericht op reflectie
5. Doelgericht
6. Gericht op leren in een betekenisvolle context
7. Gericht op gebruik van ICT
8. Gericht op planmatigheid en samenhang: het begeleidingsplan
9. Qua inhoud gebaseerd op de kernconcepten
10. Qua aanbieding concentrisch
1. Doorgaande lijn van 4 tot 12 jaar
-Verbeterde intake (kleuters) start ontwikkeling in schooljaar 2011-2012
-Verbeterd aanbod in groep 1/2/3 + digitale start ontwikkeling: 2010-2011
-Verbeterd aanbod in groep 4/5/6 aangevuld met een plusklas: start ontwikkeling:
2011- 2012
-Verbeterd aanbod in groep 6/7/8 aangevuld met een plusklas: start ontwikkeling:
2009-2010
-Verbeterde overdracht naar het voortgezet onderwijs: start ontwikkeling:
2012-2013
Deze verbeteringen laten we tot stand komen door scholing en begeleiding door de adviseur op de werkvloer, het ontwikkelen van aanvullend aanbod door de adviseur samen met stagiaires en belangstellende intern begeleiders en leerkrachten en een train de trainer opleiding van plusklasleer-krachten door de adviseur.
2. Handelingsgericht
Bij het ontwikkelen van dit aanbod staan de behoeften van het kind, zijn ouders en zijn leerkracht. Om over de behoeften van het hoogbegaafde kind alvast wat te zeggen (of nog een keer iets te zeggen: zie “waarom dit concept”): Ze hebben een bijna niet te stillen honger naar voor hen relevante informatie (Vraag maar aan hun ouders…). Ze merken al heel jong dat ze “anders” zijn, anders communiceren, ze hebben er behoefte aan dit op de juiste manier te leren duiden. Ze hebben ook een voor hen zelf meestal onbekende behoefte die van groot belang is voor hun levensgeluk: ze hebben meestal erg weinig geleerd door vallen en opstaan. Daardoor liggen faalangst, perfectionisme en het ontwijken van uitdaging op de loer. De ouders merken dit wel op en maken zich daar vaak terecht zorgen om. De leerkracht merkt dit vaak ook wel op, maar weet het vaak niet de juiste plaats te geven. Om hier praktisch invulling aan te geven vragen we eerst aan het kind om op een lijst zijn onderwijsbehoeften aan te geven en vervolgens samen met de ouders daaruit een top drie samen te stellen. Vervolgens wordt deze top drie met de leerkrachten besproken, om waar nodig nog te nuanceren en een taakverdeling te komen met de plusklasbegeleiders. De lijst van onderwijsbehoeften hebben we zeer zorgvuldig samengesteld uitgaande van “inhouden van verrijkingsstof” van Dr Willy Peters zoals dat tot in 2010 op de site van het CBO te vinden was, de DVL van Judith te Boekhorst van het SLO en onze gesprekken met hoogbegaafde knderen en hun ouders. We hebben de lijst ook vergeleken met de drie Intelligenties van Sternberg zoals in gebruik bij het Vooruitlab, de profielen van Betts en Neihart, Big Picture Learning Esther de Boer KPC en het Vaardighedenspel ontwikkeld op het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.
3. Oplossingsgericht
De onderwijsbehoeften van het hoogbegaafde kind beschrijven we vervolgens in termen van gebreken maar in termen van vaardigheden die (nog) geleerd moeten worden. Daarmee wordt het concept ook oplossingsgericht. Van het oplossingsgerichte werken lenen wij ook het werken met “scaling”: het kind schat zelf in waar het nu staat, waar het naar toe wil en wat daarbij de eerste concrete stap is. De drie vaardigheden waaraan het eerst gewerkt gaat worden vormen het uitgangspunt van het begeleidingsplan.
4. Gericht op reflectie
Zoals hierboven aangegeven: we werken in dit concept aan het leren vaardigheden. Wij gaan hierbij uit van het sociaal constructivisme van Vygotsky. Bij deze opvatting over leren staat reflecteren centraal. Elke lesdag kent minimaal één reflectiemoment, maar vaak zijn het meerdere momenten. Ook intervisie is een belangrijke werkvorm hierbij: de kinderen geven elkaar “tips en tops” Hiermee werken we meteen ook aan de vaardigheid “op een opbouwende manier kritiek geven en kritiek ontvangen”. Vanuit positieve ervaringen met SVIB gebruiken wij voor deze intervisie videobeelden.
Door de reflectie willen we ook bereiken dat de kinderen een growth mindset hebben in plaats van een fixed mindset (Carol Dweck) , anders gezegd: het kind heeft de overtuiging dat het door zich in te zetten kan groeien en dat je niet louter bepaald wordt door je aanleg.
5. Doelgericht:
Voor de drie gekozen vaardigheden worden, o.a. door scaling, ook SMART doelen geformuleerd. Hoewel het vaak lastig is het doel in concreet waarneembaar gedrag te beschrijven, proberen we dat wel. Video-opnamen van de presentaties helpen om het gedrag goed te kunnen beoordelen. Zijn de doelen geformuleerd, dan worden ook de activiteiten benoemd die er voor moeten zorgen dat de doelen behaald gaan worden. Voor de doelen hanteren we de indeling “denken, leren, leven” maar ook de indelen van de vijf “p’s”: plannen – proces – product – presentatie – prestatie. Ons zul je dus ook niet horen zeggen dat we alleen het proces van belang vinden, iets wat je in verband met vaardigheden vaak hoort beweren. Dat heeft ook te maken met het volgende:
6. Gericht op een betekenisvolle context:
Alle kinderen, maar zeker de hoogbegaafde kinderen, zijn pas echt gemotiveerd als ze weten waarom zij iets moeten leren. En nog liever dan weten, ervaren zij waarom het zo belangrijk is dat ze iets leren. Een betekenisvolle (soms ook “realistische” genoemd) context vinden wij daarom erg belangrijk, want dan is dat duidelijk. Wij zijn daarom ook niet voor een aanbod met erg veel spelletjes of in de eerste plaats leuke activiteiten. Dit wil zeker niet zeggen dat we spel uitsluiten, maar steeds moet voor de kinderen duidelijk zijn, wat het doel van de activiteit is. Ook vermijden wij het soort sociale vaardigheidstraining die een sociale vaardigheid probeert te isoleren en in een spelvorm gaat oefenen. Nee, wij zorgen elke bijeenkomst voor projectwerk, waarin (bijna) alle vaardigheden geoefend kunnen worden in een betekenisvolle context. De afsluitende presentatie is daarbij een krachtig middel: leren door presenteren. Bij deze betekenisvolle, realistische aanpak kijken we met de kinderen ook al naar het Voortgezet Onderwijs. Om daarin succesvol te zijn moet je je ook strategieën voor wiskunde eigen gemaakt hebben en manieren om woordjes te leren.
En ten derde werken we met een interesselijst om in kaart te brengen waar de interesses liggen van het kind. Zoveel mogelijk stemmen we het aanbod hierop af.
7. Gebruik van ICT
In deze tijd kunnen we natuurlijk ook profiteren van de voordelen van de informatie en communicatie technologie. Dat doen we dan ook. Als belangrijkste noemen we ons digitale portfolio in de vorm van de filmpjes van de individuele en groepspresentaties op ons YouTube-kanaal. Ook de mailadressen van ouders en leerkrachten zijn voor ons een geweldig middel om snel en gemakkelijk te kunnen communiceren. Bovendien gebruiken wij onze websites natuurlijk hiervoor.
Om de kinderen te motiveren voor nieuwe, onbekende onderwerpen gebruiken we veelvuldig filmpjes die we op internet in allerlei maten en soorten vinden.
8. Gericht op planmatigheid en samenhang: het begeleidingsplan
Om alle bovenstaande elementen in samenhang te beschrijven wordt er voor elk kind dat als hoogbegaafd gediagnostiseerd wordt voor elke schooljaar een begeleidingsplan opgesteld. Dit beschrijft de behoeften, vaardigheden, doelen, aanbod en evaluatie van het kind in dat schooljaar.
9. Qua inhoud gebaseerd op de kernconcepten
Om een beredenerende keuze te kunnen maken uit alle onderwerpen die mogelijk zijn als inhoud gaan we uit van de kernconcepten zoals die ontwikkeld zijn door het KPC.
10. Qua aanbieding concentrisch
Het aanbod voor hoogbegaafde kinderen zal (meestal) niet lineair geordend zijn maar concentrisch. Jan Hooiveld en Dolf Janson van het APS schreven hierover in verband met het verschil tussen methodestof en verrijkingsstof (Talent, maart 2011)
© Jan van Nuland 2011 Overnemen of gebruiken alleen met bronvermelding / jan.vannuland@gmail.com
